Vandaag
zomaar. zoals kogels niet gehoord en ongezien een hoofd inslaan, zoals een druppel een hele lange val een druppel is en dan opeens uiteen is gespat in een nevel van niets, zoals een hart zonder aarzelen stopt en nooit meer een slag zal maken. zo plotseling opsluipend vanuit een wereld die hij niet kende noch ooit had vermoed kwam haar zin - ik ga bij je weg. toneel, dacht hij, toneel? dat is toch allang afgelopen? wie gaat er weg, wie bij wie, wie is die ik? de vijf woorden klommen eerst wat traag en onbesloten maar al snel behendig, alsof ze dit toch vaker hadden gedaan - gezegd worden - naar de plinten, naar de hoogste boekenplanken, bleven wachten, hingen als druiventrossen aan de spinnenraggen, werden zwarte vogels die niet zaten te dutten maar wachtten op het geschikte moment om aan te vallen, een leven weg te pikken, zijn leven.
hij keek haar aan, waar altijd haar kleurige lach was, was een lichtgrijs masker, waar haar zachtheid was nu staal. waar was haar geruststellende oogopslag, de blik die hem - zelfs al was het oorlog of was er teleurstelling of had zijn botheid weer eens gezegevierd - altijd en overal liet weten dat hun verbond eeuwig was, hun liefde van bovenaardse duurzaamheid? ik ga bij je weg. de vogels scheerden langs zijn gezicht, lachten hem krijsend uit, pikten niet maar sloegen hem wel met hun vleugels. voor hen nog spel, voor hem de eerste keer dat hij iets van het gat zag. en toen sloot zijn brein zich van het bestaan af. hij kon nog slechts scherven werkelijkheid in zich opnemen. de stoel voelde hij, de hond die dacht, een koffertje. een hand vol slipjes, flesjes, de tandpasta die bleef, de tram, nog een. vanuit het niets, gehuld in een ontstellende kou die de kamers had gevuld kraakte een afscheid, een toezegging dat ze zou bellen. een kwispelende staart die poolkou tegen hem aansloeg, de vogels die verdwenen waren en de stilte die zich lijn voor lijn naar hem uitstrekte en waaronder de tijd eindelijk aan hem begon te trekken.