niet direct en ook niet echt vanzelf hadden ze in de gaten gekregen dat ze zuinig moesten zijn op zichzelf, op elkaar en op hun lijf en hun gedachten; niet steeds was er die nieuwe, mooie wereld geweest van vrijheid en geluk en het zelf dat dwangloos leek te zijn; ze hadden allebei - misschien niet toevallig ongeveer tegelijkertijd - lichamelijke ervaringen elders opgedaan, anderen aan en in hun lichaam toegelaten, van anderen genot gekregen of het aan hen gegeven en enige tijd dachten ze, zonder dat met de ander te delen, dat het zo goed was, nog beter, nog grootser, dat het leven hun een richting in leidde waar geen grenzen zouden zijn, geen regels, waar zelfbeheersing synoniem was voor angst of in ieder geval gebrek aan durf om te leven en ze dachten dat de ander het wel zou weten en begrijpen en dat het niet besproken hoefde te worden - totdat ze, ook weer min of meer tegelijkertijd, merkten dat er kou was en zwijgzaamheid en afstand en dat er leegheid was ontstaan die afbrak, uitzoog, wegvrat wat zij samen hadden opgebouwd, hadden willen opbouwen ondanks hun vroeger en zij zagen, nadat ze er wel over hadden gepraat en nog eens en weer en daarbij hadden geschreeuwd en gehuild en schrikreacties van herkenning en ongeloof als koud zilver door hun huilende harten vol liefde hadden voelen glijden, dat ze bezig waren de hoop die zij hadden en de plannen die al gemaakt waren en door hen heen zweefden op zoek naar uiting en kristallisering ook kapot zouden kunnen gaan, voortijdig zouden sterven of atrofisch in een nis van hun ziel zouden wegkruipen - ze zagen het dat ze bijna voorgoed waren verleid door het oppervlakkige, de gemakkelijke lust, de uiterlijkheden, de macht van het getal, de valkuil van de sensatie met op de bodem de deceptie, ze zagen het, ze leerden van zichzelf en van elkaar, ze leerden open te zijn, hun angsten te delen, hun behoeften te uiten en zo vochten zij zich - toen wel - weg uit de kaken van de gewoonte, de platheid, de zelfontkenning en gaven zichzelf en elkaar de kracht, de ruimte, het bewustzijn en de wil om te groeien tot hele mensen - samen.
lijnen die ze zelf hadden afgebroken, beklemmingen waar ze waren uitgebroken, dwaze verplichtingen en barse onredelijkheid die als woedend nagrommende onweerswolken over de mislukte destructie wegtrokken tot voorbij de horizon van hun verledens en simpelweg ook de nabijheid en de dwingendheid van de starre ouderogen die er niet meer waren - dat alles maakte een flink deel uit van het palet waarmee hun vrijheid vorm en kleur kreeg, bestanddeel van de inkt waarmee hun eigen verhaal kon worden begonnen, het geestelijke timmerhout tot verblijf gegroeid waarin hun zielen konden uitrusten en begrijpen en zich tot zichzelf en elkaar wenden en hun geven wat allang gegeven had moeten worden - en zo kwam ook vanuit henzelf het krachtendeel dat bijdroeg aan hun liefde, aan hun vermogen liefde te geven en te ontvangen; zo ontstonden zij alsnog, lieten ze eerst aarzelend en begrijpelijk maar al snel met een verrassende eenvoud het juk van de ervaren, opgedrongen benepenheid van zich glijden, lieten ze het laatste gekrijs van angst en egoïsme ongehoord, ze trokken hun schouders op, glimlachten, lachten de grauwe lucht uit die nog niet mee wilde, bejubelden ze de wind die de restanten van behoudzucht en besmuiktheid voor altijd wegblies en bouwden ze, zonder plan en zonder lessen en zonder ervaring en niet echt meer gehinderd door de mistigheid en duisternis die zo kenmerkend waren voor hun beider vroege jaren, alsnog hun eigen leven op, een leven van zelfstandigheid en empathie, van levenskunst en schoonheid, van zelfzorg en kunnen en willen zorgen voor, een leven dat gedragen werd door de oerkracht die zo lang onderdrukt was dat die nu schijnbaar onophoudelijk als vruchtbare lava door en tussen hen vloeide, hen deed gloeien van geluk, van blijdschap over zoveel nieuwe, mooie ervaringen, voeding was voor inspiratie en hoop, voor het gebruiken van energie dat steeds weer leidde tot gedachten, besluiten, acties, resultaten - geluk.
dat er tijden waren waarin ze niet meer praatten maar dachten dat wel te doen en hij - en zij waarschijnlijk ook - dan terugverlangde naar de dagen waarop ze altijd echt praatten en ook lachten, elkaars stralende ogen zagen en die durfden te benoemen en elkaar alleen daarom al onmisbaar vonden en tot in hun zielen liefde voelden, gekregen liefde, gegeven liefde, onuitblusbare liefde die steeds weer kracht gaf en vreugde en vertrouwen en ook een ver vroeger deed vergeten, de wereld zich liet tonen zoals zij werkelijk was en zij zich daardoor ook gingen gedragen zoals zij werkelijk waren, zij werkelijk werden die zij waren en dat niet hoefden op te zoeken, niet hoefden te tonen, er was geen angst dat hij of zij dat zou vergeten of verontachtzamen - ze omarmden elkaar en de wereld, en de wereld kuste hen en duwde hen voort terwijl zij draaide en er was steeds meer dan een gevoel, het was de gedeelde zekerheid dat er eeuwigheid was in hun geluk, hun genot, hun hoop, hun dansen door het leven en zo kon het binnensluipen van het gif niet als zodanig worden herkend, ze hadden daar geen oog voor, geen ervaring in, het werd afgedaan als een vergissing, als iets dat niet van hen was, of maar een beetje en als er niets over werd gezegd bestond het niet en bleef de rest wel bestaan en pas veel later zag hij dat sluipend toen, kruipend, gemeen want onzichtbaar en onmerkbaar schuivend als een van superieure schutkleuren voorziene slang die zijn prooi nadert met de onvermijdelijke dood in zich, rust was gekanteld naar zorg, waardering was vergaan tot angst, liefde was gestorven in een strijd tussen elkaar, tegen zichzelf, tegen de andere kant van de wereld die geen idealen duldde, geen koesteringen, geen gedeelde gedachten over geluk, maar harde eisen stelde, slagen uitdeelde, valkuilen groef en de dwang van de gewoonte uitzaaide tegelijk met de vrijbrieven naar de mogelijkheden om daar tijdelijk aan te ontkomen - wat zij hadden en waarvoor ze waren te prijzen en te benijden en wat uniek was om de zuiverheid en de oprechtheid, werd kapotgespeeld, door henzelf, door hem anders dan door haar, eerst samen en later elk voor zich… - en tegen elkaar, tegen zichzelf.
ze wisten niet dat dat gedeelte van hun gedrag tot het einde zou leiden. het waren experimenten - dachten ze - zoeken naar grenzen, eerdere en ouderlijke verboden uitlachen, elkaar uitdagen, bezien door maskers en van daarachter, uitslapen, elkaar gretig vasthouden of in een eeuwig lijkend verbond van tederheid en beschikbaarheid wegzakken en dan ontspannen en fris weer verder, lachend om de escapedes, elkaar vergeven waar nog niet vergeten was - zoals die vroege zomerochtend toen de zon al warm was, de vogels over straat dansten maar de trams nog niet reden en zij schonkend en bonkend de trap opkropen en even later op bed ploften, grinnikend in een vrolijkheid die maar deels echt was en aan elkaar begonnen te plukken en te trekken en harder en heftiger dan anders en draaiend en vechtend en bijtend en toen had hij haar opeens in een soort houtgreep waardoor zijn rechterhand vrij spel had bij haar heerlijkheid en zij geen kant op kon hoe ze ook vocht en kreunde en met haar hoofd in de kussens sloeg; onder het bed vond hij de tandenborstel die daar een paar dagen eerder onder was gevallen en hij schoof de kant met de harde puntige haren langzaam in haar, liet niet toe dat ze zich met een ongekende krachtsinspanning ervan kon ontdoen en begon op en neergaande bewegingen te maken, langzaam en draaiend en toen wat sneller en zij begon anders te kreunen, hij voelde dat ze warm werd, haar ademhaling werd een grommen en het ging sneller en heftiger en ze kreunde en werd natter en hij liet de houtgreep los, ging over haar buik liggen en haalde de tandenborstel zo snel hij kon heen en weer, totdat ze een kreet slaakte en het vocht in grote hoeveelheden uit haar spoot en bleef spuiten en haar vingers zich eerst in de lakens klauwden en daarna volledig krachteloos daar lagen, zo nu en dan even trillend, net zoals de rest van haar lichaam en haar lippen en haar oogleden - en toen hij over haar heen kwam en zijn die nanacht uitzonderlijk grote lid in haar schoof, kreunde ze weer, nu de vleesgeworden overgave, deed haar ogen een beetje open en fluisterde dat ze van hem hield, hetgeen ze de volgende dag herhaalde, zei het met een blik in haar ogen die ook inhield dat hij het misschien wel zelf was geweest, maar zij eigenlijk niet. later, heel veel later besefte hij dat op die grens van die hete nanacht en de dauwdansende vroegochtend vol exploderende erotiek hun relatie vanaf een misschien wel hemelse top de weg naar beneden was ingeslagen en nooit meer was gestopt met afdalen.
de dag voor de dag dat het voor bijna eeuwig nacht werd hangt als een goor, geildoortrokken laken om hem heen, radeloosheid en een alles vastgrijpend verdriet gloort maar blijft nog hangen aan de tramdraden, resten drank trekken als glibberige portiers van trieste nachtclubs aan de laatste restjes van zijn wil, zoeken naar zwakke plekken in zijn weerstand, verjaagd opeens door een gruwelijke kater die kleuren eet en vuile geuren schijt, die sneller en scherper is dan het licht en het ene moment zo klein maar gemeen als een stenen vuist en dan weer nog verstikkender en zwaarder dan een dekbeld dat urenlang in de regen heeft gehangen; die kater die voortdurend de stralen van zijn felle ogen door zijn hoofd laat branden, die de sporen van vannacht met sadistische onverbiddelijkheid op zijn overgevoelige netvliezen krast, die haar woorden en kreten van afkeer en woede die allang niet meer weerklinken en door hem uren geleden niet waren gehoord alsnog zichtbaar maken en als zwepen op hem in laten slaan, zodat hij met vlekken en deuken, behangscheuren en vuile geuren en katersnagels in zijn ziel en de zwiepende woorden langzaam onvermijdelijke beelden moet vormen van zijn grofheid, die banaliteit, dat meedogenloze - die zoveelste dronkenschap, die eerst nog schitterwereld vol praal en lust en geweldigheid van het zelf, die ideeënwaterval, die gouden fabriek van goede voornemens, die wereld waarvan hij aan het stuur zat, hij de dialogen voerde, de kleuren en geuren bepaalde, de tijd stilzette of zelfs baldadig liet retireren, die nu een hel is van zweet en angst en een voortjagend hart, een bijna ondraaglijk schuldgevoel en een stuk leven waarover geen herinnering is en waarin dus het ergste en het vreselijkste door zijn toedoen kan hebben plaatsgevonden. en waar is zij? waar is de tijd? waar de hond, het geluid, waar zou de dag zich bevinden?
onderhuidse spanning die er eerst niet was en nu wel. ze is aanwezig maar stil. afwezig stil. terugdenken, is er iets gebeurd, of niet gebeurd? verkeerd gezegd, beweging niet zo bedoeld? de merkwaardige droom die hij vanochtend vroeg had - nadat hij even wakker was geworden en had gezien dat zij ook wakker was maar nergens in zijn lijf de behoefte opgloeide om met haar te vrijen en dat bij haar kennelijk ook zo was want ze bleef bijna stug op haar rug liggen, keek naar het plafond, zuchtte, draaide zich om en schoof naar de rand van het bed - die droom draaide weer langs zijn netvlies. ze zaten op de stadsmuur van zürich (waar ze samen nooit waren geweest), hij had een zakje met drie ringen uit zijn zak gehaald. ze lagen naast elkaar op zijn opengespreide rechterhand. een gouden ring, een van wol, een van steen. er werd niet gesproken, maar ze wisten allebei dat zij moest kiezen. terwijl ze haar jas aantrekt om de hond uit te laten, voelt hij weer die onbegrijpelijke vreugde die hij op dat moment in de droom ook voelde. zijn hand, de ringen, zij op het punt een keuze te maken. ging het om een bevestiging? een waarschuwing? ze koos de stenen ring. hij voelde de vreugde wegzakken in verbazing. ze glimlachte, wilde de ring aanschuiven, maar opeens liep er een zandstraaltje tussen haar vingers weg en was er niets meer. toen was er ook geen gevoel meer, geen lach, geen lust. hij werd wakker - terwijl hij zich dat herinnerde keek hij even naar de binnenkant van zijn rechterhand waar hij niets bijzonders zag - en voelde zich bedroefd, eenzaam. hij schoof naar haar toe, maar ze sliep. of deed alsof. hij gaat in de stoel zitten, de kat springt op schoot en gaat liggen, spinnen. niets bijzonders aan de hand. behalve dan die spanning. en het woord alsof dat met een vervelende hardnekkigheid in zijn hoofd blijft rondzeuren.
zomaar. zoals kogels niet gehoord en ongezien een hoofd inslaan, zoals een druppel een hele lange val een druppel is en dan opeens uiteen is gespat in een nevel van niets, zoals een hart zonder aarzelen stopt en nooit meer een slag zal maken. zo plotseling opsluipend vanuit een wereld die hij niet kende noch ooit had vermoed kwam haar zin - ik ga bij je weg. toneel, dacht hij, toneel? dat is toch allang afgelopen? wie gaat er weg, wie bij wie, wie is die ik? de vijf woorden klommen eerst wat traag en onbesloten maar al snel behendig, alsof ze dit toch vaker hadden gedaan - gezegd worden - naar de plinten, naar de hoogste boekenplanken, bleven wachten, hingen als druiventrossen aan de spinnenraggen, werden zwarte vogels die niet zaten te dutten maar wachtten op het geschikte moment om aan te vallen, een leven weg te pikken, zijn leven.
hij keek haar aan, waar altijd haar kleurige lach was, was een lichtgrijs masker, waar haar zachtheid was nu staal. waar was haar geruststellende oogopslag, de blik die hem - zelfs al was het oorlog of was er teleurstelling of had zijn botheid weer eens gezegevierd - altijd en overal liet weten dat hun verbond eeuwig was, hun liefde van bovenaardse duurzaamheid? ik ga bij je weg. de vogels scheerden langs zijn gezicht, lachten hem krijsend uit, pikten niet maar sloegen hem wel met hun vleugels. voor hen nog spel, voor hem de eerste keer dat hij iets van het gat zag. en toen sloot zijn brein zich van het bestaan af. hij kon nog slechts scherven werkelijkheid in zich opnemen. de stoel voelde hij, de hond die dacht, een koffertje. een hand vol slipjes, flesjes, de tandpasta die bleef, de tram, nog een. vanuit het niets, gehuld in een ontstellende kou die de kamers had gevuld kraakte een afscheid, een toezegging dat ze zou bellen. een kwispelende staart die poolkou tegen hem aansloeg, de vogels die verdwenen waren en de stilte die zich lijn voor lijn naar hem uitstrekte en waaronder de tijd eindelijk aan hem begon te trekken.
stappen op de trap, niet omhoog, maar omlaag. er wordt iets afgeteld, iets tikt, als het leven een hart zou hebben zou het aanstonds zeker stoppen. hij hoopt op een suisende stilte, waarin wordt nagedacht, getwijfeld, hervonden, omgedraaid - die wordt afgesloten door stappen op de trap, omhoog. maar die stilte komt niet, niet voordat de deur beneden piept en als een valbijl in het slot valt. laat de tram nu krijsend uit de rails lopen, laat de hond van de buren happen, laat het een rotgrap zijn, maar een grap. laat het niet zo zijn, laat het niet zo zijn dat ze niet voor even weggaat, maar voor altijd. laat er iets vergeten zijn, niet gezegd, niet begrepen - hij kijkt en zoekt naar wat hij over het hoofd heeft gezien, de aanloop naar een afspraak, een bedoeling, een beweging die dus niet zomaar werd gemaakt, niets is klaargezet, niets hier wijst op een vertrek, op een verdwijnen, op een nooit meer terugkomen. de schilderijen kunnen niet liegen, ze hangen recht, ze huilen niet, ze zijn niet aan het vervagen, het teneste la promessa kruipt niet meer huiveringwekkend dan anders langs de wanden die ze samen hebben betimmerd en geschilders, addio del passato, er is niets veranderd, ze komt zo terug, de deur ging niet zachter dicht dan normaal, of staat ze gewoon bij de jassen te grinniken?
dat de lucht zo anders leek, terwijl hij haar nog steeds rook, dat dingen nog bewogen en de vloer kraakte alsof ze er zojuist nog overheen liep, dat de wc naborrelde zoals dat altijd gebeurde als zij onhandig en afwezig en gefixeerd op haar onderbuik doortrok, dat hij toch zeker wist dat haar schaduw zo weer de achterkamer zou binnenglijden, dat de tram best even voorbij mocht ratelen omdat die dat tientallen keren per dag deed en zij dan zonder ergernis even stopte en hij ook allang niet meer wist dat hij dan even naar een wand keek, het plafond, een verwijtend tijdschrift, een bestoft studieboek, dat er aan de kont van die tram een wolk van stilte bungelde die ook nieuwe woorden bracht en het ijle gebaar om elkaar weer aan te kijken - dat alles moest zo en nu toch eigenlijk heel binnenkort weer gaan gebeuren, net zoals zijn hart sloeg, de kat zich ’s omdraaide, de hond in haar slaap met de poten trok en het buurmeisje vloekend de trap afliep. maar er gebeurde niets, hij dacht dat hij zich had vergist, even had geslapen, of had gedroomd dat hij voor dat slapen iets had verzonnen dat gemakkelijk te verzinnen was omdat het toch nooit zou gebeuren of hooguit de realiteit zou hebben van een vergissing of een ondeugende, niet zo makkelijk te incasseren grap - en hij stond op om iets te gaan doen en later besefte hij dat hij toen opstond om iets te gaan doen dat volstrekt logisch was in hun leven en toen sloeg hij stil en vast, bevroor, kreeg doodsangst door zich heen geslagen, keek en zocht, schopte, ramde een kastdeur dicht, tranen kwamen, zijn keel droogde op, zijn adem gierde en als grauwe, reusachtige vuisten kwam door alle ramen de waarheid van haar definitieve vertrek naar binnen en ze sloegen hem in één keer volledig los van al zijn zekerheden.
de stoel waarin in hij vaak zat en dan vond dat zijn leven een ordentelijk koninkrijk was, de grote stoel waaraan de laatste kat soms dwaas hing en in het stoffige duister tussen de poten groot gevaar of malse prooien vermoedde, waarvan de hond hoeken had afgebeten en waar zij zich in latere jaren met een diepdroeve hondenzucht tegenaan liet vallen, in die warme stoel waarin hij vaak ook met haar op schoot had gezeten en zij samen de toekomst hadden bedacht en later hadden vervangen door verstandige verbeteringen van het lachende verleden en waarvan het wilde kraken van weleer ongemerkt maar niet eens onaangenaam was overgegaan in een zacht kreunen vanonder de vale lappen en de zwarte plakstroken die moesten voorkomen dat het verval zou leiden tot vervanging of tot een schrijnende conclusie over veel meer - in die stoel zat hij doodstil te luisteren naar de doodse stilte die in huis hing sinds zij weg was en hij niet eens zoveel later het begin van een besef had gekregen dat dit niet een opwelling van haar was maar een definitief besluit en hij begon, ver weg nog en zwak en ontkenbaar, te voelen en te begrijpen hoe het moest zijn als je zonder verdoving werd gecastreerd, hoe je hart in je keel zou branden als je geliefde voor jouw ogen zou worden vermoord, terwijl polsen en enkels zijn gekneveld en de mooiste plekken van het koninkrijk zouden worden misbruikt en verwoest - en dat hield hem urenlang doods en stijf en dunademig in de stoel totdat de zon het leven aan de gevels begon terug te geven en bij hem het vermoeden was ontstaan dat hij jarenlang in een waan had gewoond.